De Man onder de Brug

Het kabaal van een drilboor overstemt al het andere, wanneer Felix Stadhouder onder het viaduct door loopt. Zijn voetstappen, die hier normaal zo prettig galmen, worden genadeloos overschreeuwd. Zijdelings bekijkt hij de bedrijvigheid aan de overkant van de weg, tussen de betonnen kolommen door. De stoep aan de overzijde is afgezet met grote hekken, een dieselgenerator verspreidt een blauwe walm, mannen in oranje hesjes roken een sigaretje terwijl hun collega de drilboor bedient. Zal hij er dan niet zijn vandaag? Ja, toch wel! Helemaal aan het einde van het viaduct, net naast het bouwhek, zit de man, precies zoals hij er gisteren zat, en eergisteren, en elke dag sinds Felix Stadhouder aan zijn dagelijkse wandelingetjes is begonnen. Zoals altijd zit hij op een krukje dat één poot mist, leunend tegen de wand van het viaduct, zijn hoofd tegen een reclameposter voor glutenvrije mueslirepen. De voeten in pantoffels gestoken, de trainingsbroek in de sokken, twee wollen truien over elkaar, een wilde baard en een wildere bos haar. Een interessant figuur. Al was hij alleen maar even de straat overgestoken, dan had hij toch een stuk rustiger gezeten. Koppig en compromisloos. Eigenlijk, denkt Felix, zit er best een verhaal in.

Thuis zet Felix zich meteen aan zijn bureau. Bovenaan een leeg document typt hij: De Man onder de Brug. Volgende regel. De vingers van de jonge schrijver rusten op het toetsenbord. Starend naar zijn cursor zoekt hij naar de juiste beginzin; in gedachten produceert hij de ene na de andere zinsflard, maar niets voldoet, niets is raak. Hij tilt zijn handen op, leunt achterover, krabt aan zijn kin. Teleurgesteld komt Felix Stadhouder tot de conclusie dat hij geen enkel idee heeft hoe het is om onder een brug te leven.

De volgende dag staan de hekken er nog maar zijn de werklieden weg. Het is zaterdag. Felix is zonder omwegen naar het viaduct gesneld. Al van ver stelt hij vast dat de man ook vandaag weer op zijn krukje zit. Hij haalt een pen en een opschrijfboekje uit zijn binnenzak tevoorschijn en steekt de weg over. De man heeft hij nog niet eerder van zo dichtbij gezien. Zijn huid is leerachtig en er ligt een glimlach om zijn mond terwijl hij de verte in staart. Felix gaat voor hem staan en schraapt zijn keel.
‘Goedemorgen meneer.’
Geen antwoord. Wel een teken van leven. De man kijkt, nog altijd glimlachend, naar Felix op. Zijn ogen lijken te blauw voor zijn gebruinde gezicht, als nieuwe knopen op een oude jas.
‘Goedemorgen,’ herhaalt Felix. Hij laat even de tijd voor een eventuele teruggroet maar wanneer deze wederom uitblijft gaat hij verder. ‘Mijn naam is Felix Stadhouder. Ik ben schrijver. Misschien herkent u mij, ik loop elke dag onder uw viaduct door, wanneer ik op zoek naar inspiratie door de stad wandel, en ik moet zeggen: uw volhardende aanwezigheid inspireert mij enorm. Zelfs in die mate dat ik heb besloten een boek over u te schrijven. Mijn debuutroman: De Man onder de Brug. Het moet een levensecht boek worden, een belangrijk boek. Mijn probleem is echter dat ik niks van u weet, niet weet hoe het is om onder een brug te leven. Voordat ik het kan schrijven moet ik snappen hoe het is om te leven als…’ Felix hapert even ‘… iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats. Vertelt u mij alstublieft uw verhaal.’
Gedurende Felix’ monoloog is de man hem strak aan blijven kijken. Nu richt hij zijn blik omlaag.
‘Mijn verhaal,’ mompelt hij tegen zijn pantoffels.
Felix slaat zijn opschrijfboekje open en schroeft de dop van zijn pen. Dan kijkt de man hem plotseling weer aan.
‘Mijn verhaal is niet speciaal,’ zegt hij met verrassend heldere stem, alsof hij deze heeft gespaard door hem jaren niet te gebruiken. ‘Het zit, net als ieders verhaal, vol verkeerde afslagen, doodlopende paden, geleerde lessen, herhaalde fouten, maar voornamelijk vol dodelijke saaiheid. Ik kan me niet voorstellen dat de mensen het willen lezen.’
‘U heeft het mis! De mensen zullen ervan smullen! Ze houden van verhalen die écht zijn, uit het leven gegrepen. Ze hebben geen idee hoe het is om onder een brug te leven, maar ze willen erover lezen, en ik zal het levensecht voor ze opschrijven. Ze zullen met u meeleven, met elke verkeerde afslag en elke geleerde les.’
De man vouwt zijn handen in elkaar en brengt ze naar zijn borst, alsof hij bidt. Hij kucht een keer voordat hij antwoordt.
‘Hoe kunt u het levensecht opschrijven als u het niet heeft geleefd?’
Felix aarzelt. ‘Nou, met voldoende inbreng van u…’
‘Ik weet het goed gemaakt,’ valt de man hem direct in de rede, zijn vinger ophoudend. Hij werkt zich met behulp van het bouwhek overeind en vervolgt: ‘als u zo graag wilt weten hoe het is om onder deze brug te leven, nodig ik u uit het een tijd te proberen. We zullen van leven ruilen. U leeft als man onder de brug, ik als schrijver. Neemt u plaats!’
De man gebaart uitnodigend naar het krukje. Felix kijkt hem sprakeloos aan. De man legt zijn hand op Felix’ schouder en begeleidt hem richting zijn zetel. Felix gaat zitten, waarbij het niet veel scheelt of hij kiepert met krukje en al om. Zwijgend trekt de man één van zijn wollen truien uit en legt deze in Felix’ schoot. Vervolgens helpt hij Felix uit zijn jasje en hij trekt het over zijn eigen schouders.
‘Dat past ons beter zo,’ zegt de man. ‘Ik wens u veel geluk.’ Hij knikt nog eens en beent dan weg.

De eerste dagen en nachten onder de brug leert Felix veel. Dat de mensen hem veelal geen blik waardig gunnen, behalve de vrouw die hem elke ochtend zwijgend wat ontbijt komt brengen. Dat het koud is in de nacht, te koud om op de grond te slapen, zelfs in de wollen trui. Hij stopt zijn broek in zijn sokken en schrijft een notitie. Hij leert te slapen, zittend op het krukje. Overdag zit hij ook. Af en toe herleest hij de aantekeningen in zijn steeds voller rakende opschrijfboekje. De werklieden brengen met hun luidruchtige aanwezigheid structuur, kondigen de ochtend aan nog voor de zon dat doet, totdat ze op een dag hun bouwhekken opruimen en niet meer terugkeren. Terwijl Felix’ baard groeit draaien de dagen langzaam in elkaar.

Het is ochtend, zoveel is duidelijk. In het eerste licht zit hij onder de brug en wrijft in zijn handen tegen de kou. Die vriendelijke vrouw heeft nog geen ontbijt gebracht vandaag, toch? Dan rijdt een bestelbusje naast hem de stoep op. De knipperlichten springen aan en een vrouw in werkuniform opent het portier. Ze komt op hem aflopen en maakt met een kort gebaar duidelijk dat hij geacht wordt aan de kant te gaan. Hij worstelt zich overeind en schuifelt enkele meters opzij. De vrouw stapt daadkrachtig naar voren, opent de lijst aan de muur en verwijdert hieruit de reclameposter voor glutenvrije mueslirepen. De oude poster brengt ze naar het busje en ze keert terug met een nieuw exemplaar dat ze vlot in de lijst hangt. Dan stapt ze weer in en rijdt weg. Hij blijft alleen achter. Terwijl hij zijn ogen over de poster laat gaan trekt er een tinteling vanuit zijn tenen door zijn hele lichaam. Op zijn gezicht verschijnt een tevreden glimlach: Lees nu de debuutroman van Felix Stadhouder – De Man onder de Brug. “Rauw en Levensecht”, ***** – De Volkskrant


Eén reactie op “De Man onder de Brug”

  1. Hi Stijn ik vond het weer een mooi verhaal Ik weet niet of je de reactie die ik poste kan zien, want hij gaf een soort foutmelding dat ik geen account had of zoiets

    Verstuurd vanaf mijn iPhone

    Like

Plaats een reactie