Een Kort Kerstverhaal

In de Primera op de hoek heb ik drie velletjes kerstpostzegels gekocht. Nu zit ik op een bankje in de speeltuin verderop en beplak met koude paarse vingers één voor één de enveloppen die mijn reeds geschreven eindejaarswensen omhullen. Op mijn linker knie liggen de nog onbezegelde enveloppen, op mijn rechter de bezegelde. Methodisch mik ik een zegeltje in de lege rechterbovenhoek waarna de envelop van links naar rechts mag verhuizen.

In mijn familie is het versturen, en voordat het zover kan zijn, ontwerpen, van deze nieuwjaarskaarten inmiddels een niet weg te denken traditie. Enkele dagen voor kerst vindt de jaarlijkse brainstormsessie plaats waarin het thema voor de komende editie wordt vastgelegd. Dan volgt er een fotoshoot, discussie over de perfecte tekst, en veel gepriegel met Adobe Photoshop. In het verleden zijn we door middel van dergelijke digitale trucage onderdeel geweest van een motorclub (No Surrendier), hebben we als vrolijke husky’s met mensengezichten ‘2020’ in de sneeuw geplast (Watch out where the huskies go, and don’t you eat that yellow snow. – Frank Zappa), en zijn we cryonisch ingevroren om nóg een jaar covid over te slaan (Griepvries Deluxe – sla 2022 over! Laat u nu invriezen en ontdooi zomer 2023). Dit jaar heeft mijn moeder een ouderwetse duikershelm opgeshopt en is de rest van het gezin getransformeerd tot kwal (Wij gaan komend jaar voor kwalliteit!). Wellicht klinkt het allemaal wat flauw, maar ik overdrijf niet als ik zeg dat velen van de gelukkige ontvangers zweren dat onze traditionele kaart een waar lichtpuntje in de donkere decemberdagen is en dat ze ieder jaar vol verwachting uitzien naar het moment dat de nieuwste editie op de mat valt.

Kwalliteit. Er verschijnt een trotse glimlach op mijn gezicht, net onder mijn neus waaraan de winterkou een snottebelletje gehangen heeft. Ik verplaats nog een vers beplakte envelop naar rechts wanneer een plotselinge windvlaag vat krijgt op de tijdelijk onbewaakte linker stapel en een heel stel kaarten meedraagt. Geschrokken grijp ik naar wat er rest van de linker stapel. Onhandig, want meteen verovert de wind ook een groot deel van de bezegelde enveloppen. Verdomme, hoe kon ik zo onvoorzichtig zijn? Een papieren spoor tuimelt in een rechte lijn de speeltuin uit en, aangevoerd door de envelop die juist aan de beurt was beplakt te worden, de straat op. Jachtig combineer ik wat er over is van de twee stapeltjes en houd ze stevig vast terwijl ik achter de wegwaaiende nieuwjaarswensen aansnel. Al gauw realiseer ik me dat ik geen enkele kans maak ze in te halen. Ik wil de hoop opgeven maar dan, aan de andere kant van de straat, verschijnt er een reddende engel in een lange zwarte winterjas met capuchon. Hij zet zijn voet op de eerste voortvluchtige envelop, gaat door zijn knieën, en vangt één voor één de aanwaaiende achtervolgers ook. Mijn borst vult zich met opluchting en dankbaarheid voor deze onbekende man. Ik stap haastig op mijn reddende engel af, zoekend naar woorden die mijn opluchting en dankbaarheid kunnen vatten. Maar wanneer ik dichterbij kom laat de engel me niet de kans hem te bedanken.
‘Wat zit er in?’, vraagt hij ongeduldig. ‘Geld?’
Deze vraag verrast me. In plaats van het warme dankwoord dat op het puntje van mijn tong lag antwoord ik stamelend dat de enveloppen niets van waarlijke monetaire waarde bevatten, dat de inhoud bestaat uit welgemeende, doch waardeloze, nieuwjaarswensen. De engel kijkt me verveeld aan.
‘Heb je geld voor me?’, vraagt hij dan. ‘Tien, twintig?’
Terwijl ik (naar waarheid) antwoord dat ik geen contant geld op zak heb steekt de engel een sigaret op. Dan zucht hij, overhandigt mij de enveloppen, loopt weg, kijkt om, en werpt me een scheldwoord toe. Beduusd kijk ik de engel na. Ik tel de enveloppen: ze zijn er allemaal.

Ik heb de kaarten op de post gedaan en loop onderweg naar huis langs de supermarkt. Het is druk in de winkel. Ik sta bij de zelfscankassa mijn weinige boodschappen zelf te scannen als ik achter mij rumoer hoor. Twee potige bewakers sjorren een man in een lange zwarte winterjas met capuchon langs de kassa’s richting de uitgang van de winkel. In het verveelde gezicht van de gecapuchonde man herken ik mijn reddende engel.
‘Ik heb niks gepakt, check mijn zakken dan’, zegt de engel.
‘Zeg dat maar tegen de politie, er hangen hier overal camera’s, mafkees’, zeggen de bewakers.
Bij de uitgang van de winkel wachten de mannen de komst van de politie af. Wanneer ik hen bij het verlaten van de winkel passeer voel ik de behoefte de bewakers te vertellen dat hun vermeende winkeldief vandaag mijn reddende engel was, dat hij als ware het een wonder op het juiste moment op de juiste plaats verscheen en mij voor ernstig ongeluk heeft behoed, dat hij toch ook iets goeds in zich moet hebben. Dan herinner ik me zijn scheldwoord. Zonder de engel aan te durven kijken mompel ik onhoorbaar zacht een vergelijkbaar scheldwoord, welgemeend doch waardeloos, en loop door.


3 reacties op “Een Kort Kerstverhaal”

  1. Deze was weer mooi!
    Ook wel Karma erin voor die vent natuurlijk.
    Ik vraag me nog steeds af hij écht iets goeds deed. Aanwaaiende brieven oprapen is een reflex en als je er dan geld voor wil, is het niet per se goed. Maarja, we kennen de omstandigheden van die man niet. Wellicht deden wij in zo’n situatie hetzelfde.

    Like

Geef een reactie op Cyriel Vanmaekelbergh Reactie annuleren