Vierhonderdéénennegentig nanometer bedraagt de golflengte van de laserstraal die van spiegel naar spiegel over de optische tafel kaatst. Vraag de gewone man de kleur te beschrijven en hij zegt: lichtblauw. Of wellicht cyaan, afhankelijk van hoe gewoon de man is. De laserstraal bereikt de objectieflens en wordt samengepakt tot een minuscuul focuspunt in het te onderzoeken monster. Aldaar wordt een deel van de monstermoleculen naar een hoger energieniveau getild, waarna ze het licht retour afzender sturen. Cruciaal detail hierbij: ten opzichte van het ontvangen licht heeft het teruggestuurde licht een net langere golflengte. De gewone man zou zeggen: groen. Het groene licht reist langs hetzelfde pad terug, langs dezelfde spiegels maar in omgekeerde volgorde – zoals licht pleegt te doen draagt het zorg dat de hoek van inval te allen tijde gelijk is aan de hoek van terugkaatsing – tot het bij de tweekleurige spiegel van het gebaande pad afwijkt. Lichtblauw gaat rechtdoor, groen slaat af richting de detector. Ondertussen verlegt een mechanische spiegel systematisch en secuur het optische pad en scant de laserfocus zo over het monster. Pixel voor pixel wordt de afbeelding door de detector ingevuld…
…althans, dat is het plan. Voor het zover kan zijn moeten alle spiegels en lenzen die samen het optisch pad bepalen minutieus worden uitgelijnd. Dit minutieus uitlijnen is de taak van Dr. Braam, en dit zal voorlopig zijn taak blijven, weet hij, simpelweg omdat er weinig schot in de zaak zit. Voorovergebogen draait hij aan de verstelwieltjes van de spiegels om de laserstraal precies door het midden van de langs het pad opgestelde irisdiafragma’s te sturen. Het is donker in het lab in de muffige kelder van de universiteit. Braam zet de plafondlamp niet aan omdat het felle licht het hem onmogelijk zou maken de kleine laserspot te onderscheiden. Probleem hierbij is dat het bij gebrek aan licht van de plafondlamp onmogelijk is al het andere te onderscheiden. Op de tast vindt Braam het gezochte verstelwieltje en vlot mikt hij de laserstraal door de pupil van de eerste iris. Nu is het zaak de lichtbundel met een tweede spiegel door de tweede iris te mikken, waarna hij zal terugkeren naar de eerste spiegel om de hierdoor veroorzaakte afwijking in de eerste iris te corrigeren, waarna hij wederom de tweede spiegel zal gebruiken om de straal door de tweede iris te sturen, enzovoorts enzovoorts totdat de straal de beide irissen doorkruist. Starend naar de laserspot tast Braam naar de tweede spiegel en draait hij voorzichtig aan de wieltjes. De laserspot, een klein blauw lichtvlekje op de rand van de tweede iris, komt niet van zijn plaats. Is deze spiegel kapot? Ongerust draait hij verder aan de wieltjes totdat hij bedenkt wat de onbeweeglijkheid van de straal werkelijk betekent: hij heeft in het donker naar de verkeerde spiegel getast. Hij heeft met z’n domme hoofd lopen draaien aan de wieltjes van een spiegel uit een ander optisch pad, erger nog, een al uitgelijnd optisch pad, erger nog, een ooit-uitgelijnd-maar-nu-dus-niet-meer optisch pad! Braam vloekt en komt overeind. Met zijn hand tast hij naar de muur en zo schuifelt hij naar het lichtknopje. Hij knijpt met zijn ogen wanneer de tl-buis aan het plafond aanspringt, en evalueert de ernst van zijn falen terwijl hij met de knokkels van beide duimen zijn pijnlijke, stijve rug masseert. Telkens als hij stappen in de goede richting lijkt te zetten zet hij er ook een paar terug. Hoe kan hij ooit zijn werk aan dit vervloekte apparaat voltooien als hij dit soort fouten blijft maken? Goed, kom op, kan gebeuren. En dat zal het, blijkbaar, verdomme! Keer op keer.
Plotseling trilt zijn mobiele telefoon. Dat is ongebruikelijk, een telefoontje op dit uur, of willekeurig welk uur eigenlijk. Haastig haalt Braam het apparaat tevoorschijn om te bekijken wie hem belt. Het telefoonnummer is hem niet bekend. Naar het scherm starend wacht hij tot het trillen ophoudt en als het zover is stopt hij de telefoon terug in zijn broekzak. Hij zucht, opent de deur van het lab, knipt de plafondlamp uit, en sloft de trap op naar de koffieautomaat.
Thuis komen de enige medemenselijke stemmen uit het televisietoestel. Ze houden Braam op de hoogte van wereldse zaken als oorlog, klimaatverandering, en vrouwenvoetbal. De restjes van gisteren bestelde Chinees, en een groot glas rode wijn, doen dienst als avondmaal. Na het eten pakt Braam de afstandsbediening en zet hij het geluid van de televisie uit. Hij neemt zijn glas en gaat op het tapijt liggen. Alleen op deze manier kan hij de zeurende pijn in zijn rug verlichten; liggend, met zijn voeten op de grond en knieën in de lucht. De televisie toont zwijgend beelden van Zuid-Europese bosbranden. Wanneer Braam zijn ogen sluit merkt hij dat de kamer begint te draaien. Dat hij rode wijn kán drinken als limonade betekent nog niet dat hij rode wijn moét drinken als limonade, natuurlijk, natuurlijk. Maar het feit dat hij alleen thuis is betekent ook dat niemand er iets van zal zeggen als hij het wel doet. Braam is even weggedommeld als hij wakker schrikt door het trillen van zijn telefoon. In de inmiddels schemerig geworden kamer stuitert het flakkerend televisielicht tegen de muren. Braam ontgrendelt zijn telefoon om te bepalen wie zijn sluimeren onderbroken heeft. Hij heeft een bericht van een onbekend nummer ontvangen.
Hallo, weet je wie er op de Promesse is?
leest hij. Door vlug naar zijn oproepgeschiedenis te navigeren bevestigt hij zijn vermoeden dat de afzender hem vanmiddag al heeft proberen te bereiken. Het zal gaan om een misverstand, een persoonsverwisseling, denkt hij, want hij heeft geen idee wat de Promesse is, laat staan wie er momenteel op is. Braam klikt op het profiel van de afzender: een hem onbekende vrouw van middelbare leeftijd, met rode lippenstift en zwart-omrande ogen, staat glimlachend op de profielfoto. Waar eindigt middelbaar? Misschien is van middelbare leeftijd een te genereuze beschrijving. Ze doet hem denken aan de doorrookte vrouwen die hun avonden slijten in het stamcafé op de hoek van de straat. Braam typt een bericht waarin hij uiteenzet dat haar vraag berust op een misverstand, dat hij niet is wie zij denkt dat hij is, maar voor hij het afgetikt heeft verliest zijn fatsoenlijkheid het van zijn nieuwsgierigheid en een door rode wijn aangewakkerde hang naar avontuur.
Hallo, nee, wie?
stuurt hij terug, hierbij tevreden gniffelend om zijn eigen vindingrijkheid. In de donkere kamer staart hij verwachtingsvol naar het schermpje dat hij ongemakkelijk boven zijn gezicht vasthoudt. Een paar seconden later verschijnt er een reeks antwoorden.
Haha
Ik dacht dat jij het wist…
Carlos misschien?
Braam zoekt naar een gevat antwoord. Een grapje om haar subtiel te kakken te zetten. Zo subtiel dat zij er in haar onwetendheid geen idee van zal hebben dat ze te kakken gezet is. Of zal hij deze ongetwijfeld digibete, zo goed als bejaarde vrouw niet langer dwarszitten en opbiechten dat hij niet is wie zij denkt dat hij is? Hij aarzelt maar voelt dat hij niet te lang kan wachten. Haastig stuurt hij
Zou kunnen
terug. Niet erg grappig, en ook niet helemaal eerlijk. Braam blijft nog een tijdje naar zijn scherm staren maar de vrouw stuurt hem geen berichten meer. Waarschijnlijk heeft ze uitgevogeld dat ze met een vreemde aan het praten was. Waarschijnlijk vraagt ze aan iemand anders wie er op de Promesse is. Braam klikt nog eens op haar profiel. Ze heet ~madeleine.
***
De wekker gaat, zoals op elke werkdag, om negen uur. Als er één voordeel te noemen is aan zijn baan in de eenzame kelder van de universiteit, is het dat het niemand iets kan schelen wanneer hij komt opdagen. Braam wordt normaalgesproken vroeger wakker en ligt dan een tijd in halfslaap de wekker af te wachten, steeds naar het klokje glurend om te bepalen hoelang de overgang van slaap naar sleur nog mag duren, maar vandaag wekt de wekker daadwerkelijk. De fles rode wijn zal hierin een rol gespeeld hebben. Braam worstelt zich overeind en sloft met zware benen naar de douche, alwaar hij zal proberen de kater en de tegenzin van zich af te spoelen. Tevergeefs.
Terug in het lab in de universiteitskelder is Braam in de weer met de collimatielens. De gewone man zou vragen: de wat-lens? Vervolgens zou Braam trachten de gewone man het een en ander bij te brengen door middel van de volgende uitweiding:
Wanneer ik in mijn donkere lab de plafondlamp aanzet verlicht deze de hele kamer. Het licht wordt uitgestraald in alle richtingen en verdeelt zich over de vier muren en de vloer. Het is divergent. Hang de plafondlamp in een grotere kamer en hetzelfde licht wordt verdeeld over meer muur en meer vloer, dus muren en vloer zijn hier donkerder. Hoe is dit anders voor een gecollimeerde laserstraal? Een gecollimeerde laserstraal is als een zoveelbaansweg waarop niet van baan wordt gewisseld en geen mogelijkheid is tot afslaan. Al het licht dat de collimatielens verlaat vertrekt in dezelfde richting, en het houdt deze richting strak aan. Het verspreidt zich niet over de muren maar verlicht slechts een kleine cirkel waar de zoveelbaansweg de muur raakt. Breng de laser naar de eerder genoemde hypothetische grotere kamer en er verandert niets. De lichte stip op de muur is even groot, even helder, want het licht is niet verdeeld maar almaar rechtdoor gevlogen. De taak van de collimatielens is om al het licht in dezelfde richting op pad te sturen. Staat de lens te dicht bij de laserbron, dan zal de straal divergeren. In de grote kamer zal de stip op de muur groter maar zwakker zijn dan in de kleine. Staat de lens te ver weg, dan zal de straal convergeren; het licht zal samengedreven worden in een focus om na deze korte ontmoeting onvermijdelijk de eigen weg te gaan en eveneens te divergeren. Maar zoals ik de collimatielens nu heb geplaatst – precies goed – is er sprake van convergentie noch divergentie, dus van een perfect gecollimeerde straal. Hoe groot je de hypothetische kamer ook verzint, de lichte stip op de muur blijft even compact, even helder. En nu vraag ik je, gewone man: is dit niet een treffende metafoor voor mijn leven, voor mijn horizon die al jaren niet smaller wordt maar ook zeker niet breder. Mijn leven is gecollimeerd. Het gaat onveranderlijk in dezelfde richting door.
De schemering heeft al ingezet wanneer Braam die avond in de metro naar huis stapt. Hij heeft langer doorgewerkt om te proberen zijn gisteren gemaakte fouten te herstellen. Dat is bijna gelukt. In ieder geval heeft hij vandaag geen nieuwe fouten gemaakt. Dankbaar laat hij zich in één van de plastic stoeltjes zakken en drukt zijn door een dag lang vooroverbuigen doorgeroeste rug tegen de leuning, deze volgend als gips in een mal. Dit verlicht de pijn amper, maar geeft hem wel het gevoel recht te zijn – ze zullen geen metrostoeltjes maken speciaal voor scheve mensen – en hij hoopt dat hiermee in ieder geval verdere schade voorkomen wordt. Braam ziet de straatlantaarns aanspringen, stoplichten voorbijschieten, en plotseling zijn eigen vermoeide gezicht gereflecteerd in het raam wanneer de metro onder de grond verdwijnt. Zo staart Braam afwisselend naar felverlichte ondergrondse stations en zijn eigen norse gezicht terwijl de metro hem richting huis draagt. Hij kan in de metro diep in gedachten verzinken, zo diep dat het hem verbaast dat hij nog nooit per ongeluk zijn station voorbij is gepeinsd, denkend over lasers, lenzen, spiegels, avondeten, rode wijn. Zijn peinzen wordt abrupt onderbroken door het trillen van zijn telefoon. Terwijl hij deze tevoorschijn frummelt gaat hij vlug na wie hem nu zou willen spreken, en wanneer hij het schermpje bekijkt blijkt zijn vermoeden juist: het is ~madeleine, die eigenlijk niet hem maar iemand anders wil bereiken. Nu had Braam waarschijnlijk al niet opgenomen als vriend of familie hem onder deze omstandigheden had gebeld – te veel meeluisterende en oordelende oren in de coupé – en dus is er geen haar op zijn hoofd die eraan denkt te gaan zitten telefoneren met een verwarde vreemde. Hij vloekt binnensmonds iets over digibete ouderen en drukt geïrriteerd het telefoontje weg. Daarna peinst hij naar huis.
Later die avond blijkt dat de digibete oudere in kwestie niet gauw opgeeft. Braam ligt weer op het tapijt, hij heeft restjes van restjes van eergisteren bestelde Chinees en een paar glazen rode wijn achter de kiezen, als ~madeleine hem een nieuw bericht stuurt.
Hoi
Breng jij ze morgen naar de Promesse?
Ik stuur je zo wat info
De rode wijn heeft Braam mild gestemd en de irritatie die hij voelde in de metro heeft plaatsgemaakt voor een geamuseerde nieuwsgierigheid. Met een vergevingsgezinde glimlach op zijn gezicht kijkt hij uit naar de beloofde informatie, maar verscheidene minuten later heeft hij nog geen nieuwe berichten ontvangen. Verwacht ~madeleine eerst een antwoord van hem misschien? Braam probeert een antwoord te construeren, een strategisch meesterwerk dat ~madeleine ertoe zal zetten haar informatie prijs te geven en zijn met de minuut toenemende nieuwsgierigheid te bevredigen zonder de grens van het liegen en bedriegen te overschrijden en zijn onschuld op te geven, maar hij komt er niet uit. Haar vraag verlangt een ‘ja’ dan wel ‘nee’ en beide antwoorden komen hem te agressief voor. Een bevestiging zou gelogen zijn, en hoewel de ontkenning technisch gezien de waarheid weergeeft zou deze eveneens vervelende gevolgen kunnen hebben, zowel voor hen die naar de Promesse gebracht moeten worden als voor wie ze brengt. Hij besluit voorlopig niks te zeggen, geduldig af te wachten. Het is koud geworden in de kamer. Braam worstelt zich overeind en gaat met zijn telefoon en zijn glas op de bank liggen, onder het dekentje dat ruikt alsof er door de eeuwen heen talloze generaties Braams onder gelegen hebben. Hij onderneemt een poging op het weidse internet antwoorden op zijn vragen te vinden (in het bijzonder: wat is de Promesse en wat gaan ze daar doen vanavond?), maar de paar aanwijzingen die hij heeft (Promesse, Madeleine, Carlos) leiden hem slechts naar irrelevante socialmediaprofielen van te jonge te knappe en te buitenlandse meisjes, lijsten met werknemers bij universiteiten en bedrijven van over de hele wereld waar toevallig zowel een Madeleine als een Carlos in dienst is, webshops voor Franse literatuur en damesmode, en oud nieuws over een ontvoerd Brits meisje. De bank met het dekentje is comfortabeler dan het tapijt en al gauw wordt Braam overvallen door slaperigheid. Zijn ogen worden gestaag ondragelijk zwaar. Hij besluit dat het tijd is om deze hopeloze zoektocht te onderbreken, checkt nog één keer zijn berichten – geen info – giet de laatste slok rode wijn naar binnen en valt in slaap.
***
De ochtendzon tekent een raam op de vloer van de slaapkamer; de gordijnen zijn gisteravond niet dichtgetrokken. Precies om negen uur gaat de wekker die op het nachtkastje staat, en deze zal, als een hongerige baby, steeds luider en indringender gaan krijsen zolang er aan zijn gejammer geen gehoor wordt gegeven. Een heel uur zal hij om aandacht blijven roepen voordat hij opgeeft en overgaat tot verontwaardigd zwijgen voor op de seconde af drieëntwintig uur. De wekker wekt niet, want Braam ligt niet in bed maar op de bank, onder zijn dekentje.
Even voor half elf wordt Braam wakker, met een pijnlijke nek en een kloppend voorhoofd. Hij wrijft over zijn gezicht en maakt een zacht kreunend geluid om zich ervan te vergewissen dat hij nog in leven is. Plotseling schiet hij overeind en grijpt verschrikt naar zijn telefoon die naast de bank op het tapijt ligt. Als er één voordeel is te noemen aan zijn baan in de eenzame kelder van de universiteit is het dat het niemand iets kan schelen wanneer hij komt opdagen, normaalgesproken, maar deze ochtend behoort tot de o zo zeldzame uitzonderingen op deze doorgaans o zo zekere regel. Om elf uur zal er, god verhoede, een groep derdejaars voor zijn kantoor staan in de hoop te worden rondgeleid door de labs die hij beheert. Zichzelf vervloekend om zijn nalatigheid springt hij op van de bank. Er is geen tijd om te ontbijten, te douchen, zich te ontlasten; het is een geluk bij een ongeluk dat hij zijn kleren van gisteren nog aanheeft. Bovendien is er geen tijd om zoals gebruikelijk de metro te nemen. Hij schiet zijn jas in en snelwandelt de galerij af naar het fietsenhok.
Fietsen verleer je niet, zegt men. Men zegt er niet bij dat het wel degelijk helpt om af en toe te oefenen. Braam is hopeloos uit vorm, nog hopelozer dan hij dacht. Hij merkt het aan het zweet op zijn rug, aan zijn benauwde ademhaling, aan de misselijkmakende duizelingen in zijn hoofd. Toch kan hij nu niet stoppen, zelfs niet even; tijd voor rood licht is er niet. Braam rijdt het centrum van de stad binnen. De stoepen stikken zo langzaamaan van de toeristen en dagjesmensen. Een groepje van hen – als Braam de tijd had gehad om hierbij stil te staan had hij gezegd: waarschijnlijk Duitsers – maakt aanstalten gebruik te maken van hun recht met voorrang de weg over te steken via het zebrapad. Natuurlijk kent Braam de verkeersregels, maar hij kent ook de natuurwet dat overstekende toeristen pas gaan lopen als de naderende fietser volledig tot stilstand is gekomen, en dan meestal nóg niet. Braam heeft haast dus hij trapt door. Zoals de wet voorschrijft wachten de toeristen geduldig tot hij gepasseerd is. Maar dan maakt een man zich plotseling los uit de groep en loopt vastberaden het zebrapad op. Braam remt iets en wijzigt zijn koers om net achter de man langs te kunnen glippen. Het volgende moment staat de man stil. Braam stuurt meer bij om de man te ontwijken maar tot zijn ontsteltenis zet deze nu zelfs een stap terug en kijkt hij Braam, met een giftig glimlachje om zijn mond, recht in de ogen. Vol overgave zet de man zijn heup dwars en maakt hij zich klaar om Braam van zijn fiets te beuken. Braam kan niet meer om de man heen. Door de impact schiet zijn voet van het pedaal. Zijn voorwiel stuitert tegen de stoeprand. Op het nippertje weet hij zijn evenwicht te bewaren en hijgend komt hij op de stoep tot stilstand.
‘Je hoort te stoppen, lul!’ schreeuwt de man, duidelijk geen toerist.
Beduusd kijkt Braam om, wrijvend over zijn gebutste scheenbeen. De man loopt langzaam maar nog al te vastberaden op hem af, zonder het oogcontact ook maar een moment te verbreken. Zijn brute gezicht is gebruind en gerimpeld en van het weinige resterende haar op zijn kalende hoofd heeft hij een kuifje weten te knutselen. Om zijn enigszins openhangende mond is nog een restje giftige glimlach te onderscheiden. Hij lijkt een sadistisch plezier in de situatie te hebben. En de ironie ontgaat Braam niet: in zijn fel oranje jas heeft de man iets weg van een verkeerskegel.
‘Als u gewoon was doorgelopen was er niets gebeurd, meneer…’ mompelt Braam. Het is niet zijn gewoonte om conflicten op te zoeken, in het openbaar of waar dan ook, maar nu heeft hij het gevoel dat hij zich moet verdedigen.
‘Nee, niet voor mij!’ De man wijst naar de Duitsers die inmiddels aan de andere kant van de straat lopen. ‘Voor hen moet je stoppen, lul! Altijd hetzelfde met jullie!’ Braam opent zijn mond maar kan geen weerwoord formuleren; hij produceert slechts een zielig zuchtje. De man draait zich vol minachting om en steekt het zebrapad over. Wanneer hij de overkant bereikt kijkt hij nog eens hoofdschuddend om. Braam kijkt vlug de andere kant op. Dan herinnert hij zich zijn haast en stapt hij weer op zijn fiets. Zijn scheenbeen klopt bij elke slag van de trappers.
U heeft helemaal gelijk meneer, en daarbij geef ik vol schaamte toe dat ik fout zat. Enorm fout… We mogen als mensheid dankbaar zijn dat er nog mensen zoals u bestaan, met een groot hart en een groter gevoel voor rechtvaardigheid, die hun stem en sterke schouders inzetten om de zwakken te helpen. De zwakken die ondanks het feit dat ze voorrang hebben aarzelend achter de stoeprand blijven wachten als een hond bij de rand van de tuin, en die zonder uw paraatheid drie hele seconden later aan de overkant van dit fietspad geraakt waren. Drie seconden, dat klinkt als een kleine winst, maar zoals men zegt dat tijd geld is zou ik in dit specifieke geval willen zeggen dat tijd staat voor waardigheid en respect, meneer. Ik dank u op mijn blote knieën dat u mij de ogen hebt geopend…
…Braam ontwaakt uit zijn dagdroom en bevindt zich weer in zijn lab in de kelder. Zijn oog valt op het cirkelvormige zilveren spiegeltje in zijn latex gehandschoende handen. Met een mengsel van aceton en methanol en een zachte doek had hij het willen schoonmaken, maar in gefrustreerde gedachten aan wat hij had kunnen, willen, moeten zeggen, heeft hij zoveel kracht uitgeoefend dat het hele spiegeltje onder de krassen zit. Schoon of niet, die kan in de prullenbak. Sinds zijn aanvaring met de verkeerskegel spoken de monologen door Braams hoofd, wisselend vriendelijk schuldbewust en venijnig wraakzuchtig. Hij was weliswaar net op tijd om de derdejaars rond te leiden, maar met zijn slechte humeur evenals lichaamsgeur en met de duidelijk zichtbare bloedvlek in zijn broekspijp zal hij ze niet hebben geïnspireerd tot het overwegen van een onderzoekspositie aan de universiteit. Waarschijnlijk maar goed ook. Zuchtend komt Braam overeind om de verpeste spiegel in de prullenbak te mikken en een nieuw exemplaar uit de kast te pakken. Voor hij de prullenbak heeft bereikt begint zijn telefoon te trillen. Het zal toch niet weer… maar een blik op het schermpje verraadt dat het toch wel weer zal. Het is ~madeleine. Braam zucht nog eens en richt zijn blik naar het plafond, strijkt met de palm van zijn hand die het zilveren spiegeltje omklemt over zijn voorhoofd, voelt de telefoon trillen in zijn andere. Hij neemt op.
‘Hallo?’ zegt Braam, terwijl hij met een boogje het spiegeltje in de richting van de prullenbak mikt. Het spiegeltje stuitert met een tik van de metalen rand en rolt over de grond in zijn richting terug. Met zijn vrije hand raapt hij het zilveren cirkeltje op en steekt het in zijn zak.
‘Hallo, Nick? Met Madeleine.’ Ze spreekt haar naam uit op z’n Frans. Haar stem klinkt minder doorrookt dan Braam zich had voorgesteld na het zien van haar fotootje. De vrouw maakt aanstalten een verhaal af te steken, maar Braam is niet Nick, dus voordat ze verder kan praten onderbreekt hij haar.
‘Sorry mevrouw, u heeft het verkeerde nummer, ik ben niet Nick. U heeft me al een aantal keer gebeld, en ook wat berichten gestuurd. Misschien heeft u het nummer verkeerd in uw contactenlijst ingevoerd. In dat geval, zou u mijn nummer alstublieft willen verwijderen?’
De vrouw is even stil. ‘Oh, niet Nick, maar hoe… excuus, het zal niet meer gebeuren, fijne dag nog’, mompelt ze voordat ze ophangt.
‘Ga zitten op een stoel of kruk…’
Braam is uit bed gegaan, hij zit aan de eettafel. De straatlantaarn van de overkant doopt de kamer in een flauw licht. Het is hem niet gelukt in slaap te vallen, door de zebrapaden en spiegels, de Duitse toeristen en digibete bejaarden die door zijn gedachten bleven tollen, maar bovenal door de zeurende pijn in zijn rug. Meestal verdoven de paar glazen wijn zijn ongemakken enigszins, vullen ze de zinkgaten in de hobbelige weg naar de volgende ochtend met een dik cement. Vannacht zijn de ongemakken echter sterker, hebben ze hem zijn bed uit gesleurd.
‘…plaats beide voeten stevig voor u op de grond…’
Braam zet zijn blote voeten plat op de koude keukenvloer. Beide hakken op een kruispunt tussen de tegels; één tegel ertussen. Zijn beide voeten bedekken de voegen tot waar deze onder zijn grote tenen uitsteken. Braam kijkt omlaag en observeert de tevredenstemmende geometrie, symmetrisch afgezien van de verse wond op zijn rechter scheenbeen. Het zwakke licht laat geen ruimte voor kleur. Alles is grijs, het opgedroogde bloed een zwarte vlek.
‘…plaats uw handen op uw knieën…’
Braam volgt de instructies die uit zijn mobieltje klinken. Vijf zittende oefeningen voor de onderrug; hij heeft ze net op het internet gevonden. Hij is niet slaperig, wel moe. Kan men te moe zijn om te slapen? Te moe om comfortabel te liggen, de gedachten te bedwingen? Zo moe dat inslapen verandert in een puzzel zonder oplossing? Hij sluit zijn ogen, legt zijn handen op zijn koude blote knieën.
‘…zit rechtop, alsof je trots bent…’
Braam brengt zijn schouders naar achter, zijn kin omhoog, vult zijn borst met lucht. Langzaam beweegt hij zijn bovenlichaam van rechts naar links, van achter naar voor, zoekend naar het zo aanlokkelijke rechtop, de signalen van de zeurende spieren in zijn onderrug nauwkeurig wegend. Braam houdt stil. Is dit het dan, rechtop? Hij weet het niet. Zijn rug is vergeten wat recht is.
Gefrustreerd opent hij zijn ogen en sluit hij de instructievideo af. In de badkamer knipt hij voorzichtig het licht aan. Zijn spiegelbeeld kijkt hem met kleingeknepen ogen aan. Om zijn mond zit een kring van rode wijn van eerder vanavond. Onwillekeurig glimlacht Braam om de gedachte dat hij lijkt op ~madeleine, met lippenstift van wijn en oogpotlood van vermoeidheid. Ze heeft hem niet meer gebeld, niets meer gestuurd. Geen vragen, geen info. Zoals beloofd.
***
Braam zit achter zijn bureau, in zijn kantoor op de eerste verdieping van de universiteit, zijn kin steunend in zijn handpalm. Vanochtend, aan het uiteinde van een gebroken nacht, is de wekker genadeloos om negen uur afgegaan. Braam heeft zichzelf voor vandaag de toegang tot het lab ontzegd. Zijn ledematen zijn te stroperig en zijn hersenen te mistig. Gedachteloos scrolt hij door zijn e-mails: reclame van een opticafabrikant, een uitnodiging voor een symposium over de zonnecellen van de toekomst, die kan weg, nieuwsbrief van de universiteit, nieuwsbrief van de faculteit, nieuwsbrief van de afdeling, af en toe een verfrissend bericht van een Nigeriaanse prins. Vanaf de gang klinkt gelach en applaus. Braam kijkt op van zijn scherm. Hij rolt in zijn bureaustoel naar de deur en steekt zijn hoofd naar buiten. Verderop in de gang, bij de elektronicawerkplaats, hangen slingers en staat een groep mensen vrolijk te zijn. Braam heeft het spandoek zien hangen toen hij vanochtend binnenkwam: Aart gaat (eindelijk) met pensioen! Mijn oprechte felicitaties, Aart. Braam doet de deur dicht.
Het beschadigde zilveren spiegeltje dat Braam vanochtend in zijn broekzak terugvond heeft hij aan zijn muur geplakt. Bij collega’s hangen er foto’s van geliefden, kinderen, een hond misschien. Bij Braam hangt er de kleine ronde reflectie van zijn eigen falen. Als hij zich voorover buigt ziet hij achter het bekraste oppervlak precies zijn eigen vermoeide oog. Het spiegeltje kijkt toe terwijl Braam op de website van de opticafabrikant meteen maar tien vervangende exemplaren bestelt. Plotseling klinken er door het openstaande raam piepende banden, een klap, een schreeuw. Braam rolt naar het raam. Hij ziet niets dan de uitgestorven binnenplaats van de universiteit. Hij hoort de roep van de ekster op de rand van het dak en de zang van de merel in de top van de boom. Even later klinken de roep van de politieauto’s en de zang van een ambulance, eerst ver weg en dan steeds dichterbij. Ze houden stil bij wat het kruispunt voor het onderzoeksgebouw moet zijn. Braam sluit zijn ogen en luistert aandachtig. Er klinkt zachtjes applaus.
Man (68) komt om het leven bij aanrijding op zebrapad Universiteitsplein, leest Braam van zijn telefoonscherm. Bij het inschenken van zijn tweede glas rode wijn moest hij opeens denken aan de klap die hij die middag hoorde, en even later is hij naar de website van het plaatselijke nieuwsblad gesurft. Braam neemt een slok. Hij klikt op het artikel. De locatie en het tijdstip kloppen inderdaad. Verder geeft het artikel geen extra informatie. Het kan dus zomaar afgelopen zijn: één moment van onoplettendheid, één maniak die lak heeft aan de verkeersregels. Er bekruipt hem een ongemakkelijk gevoel, verkleed als verkeerskegel met armen en benen. Braam legt zijn telefoon op tafel en sluit zijn ogen. Heeft hij de laatste schreeuw van deze man gehoord? Hij probeert terug te halen hoe het vanmiddag heeft geklonken. De piepende banden, de klap, de schreeuw, de stilte. Het trillen van een telefoon. Braam opent zijn ogen en leunt voorover naar zijn oplichtende telefoonscherm.
~madeleine heeft u toegevoegd aan de groep “Promesse team”
Braam grabbelt naar zijn telefoon en opent het bericht, zijn adem inhoudend. Zijn ogen schieten opgewonden over het scherm terwijl hij haastig alle informatie in zich opneemt. Promesse team blijkt een chatgroep die behalve ~madeleine en Braam nog zes anonieme telefoonnummers bevat. Verder geen beschrijving, geen groepsfoto, en tot dusver geen berichten. Maar: ~madeleine is aan het typen. Braam voelt zijn wangen warm gloeien. Verwachtingsvol op zijn onderlip bijtend kijkt hij naar het scherm. Minutenlang gebeurt er niks, behalve dat de mededeling dat ~madeleine aan het typen is af en toe verdwijnt en dan snel weer verschijnt. De gedachte aan de digibete bejaarde die, belippenstift en beoogschaduwd, met één wijsvinger een bericht tikt doet Braam gniffelen. Het belooft een lang bericht te worden, zelfs als het wordt getikt op digibetentempo. Braam is net bezig een nieuw glas vol te schenken wanneer zijn telefoon weer van zich laat horen. Het pas halfvolle glas kan wachten. Onmiddellijk opent hij de chatgroep waarin ~madeleine inderdaad zojuist een omvangrijk bericht heeft geplaatst.
Hallo iedereen, ik heb zojuist te horen gekregen dat het programma voor morgen toch anders zal zijn. Dus ik dacht, ik doe het even zo, wel zo makkelijk toch?
We worden al om 8:00 bij de Promesse verwacht. 3 bussen brengen 120 gasten en 8 gidsen naar het centrum. Daar splitsen we op om de gebruikelijke tours te doen. Om 12:00 brengen we ze weer terug naar de haven.
Ik zou graag om 7:30 bij de Promesse verzamelen om nog een en ander door te spreken. Voor iedereen ok?
Braam houdt zijn telefoon in twee handen vast, ellebogen op tafel. Als hij het bericht uit heeft leest hij het meteen nog een keer. Ondertussen beginnen de antwoorden één voor één binnen te stromen.
Voor mij prima!
Natuurlijk, zal er zijn!
Geen probleem, tot dan!
Ja ok!
Voor mij ook!
Prima, tot dan!
Bij elk bericht trilt de telefoon in de handen die hem strak omklemmen. Braams duimen hangen trillend boven het scherm. De cursor knippert ongeduldig in de berichtbalk. Zo zit Braam een tijdje naar zijn scherm te staren. Dan zucht hij en legt zijn telefoon op tafel. Hij rijkt naar de wijnfles en schenkt zijn glas vol. Hij laat de wijn door zijn droog geworden mond gaan en leunt achterover. Opnieuw getril. Er verschijnt een nieuw bericht van ~madeleine op het telefoonscherm.
Ik ga zo naar bed, wekker gaat morgen al om 5:00…
Voor jou ook ok Nick?
Hij kan niet blijven zitten. Met het glas wijn in zijn hand ijsbeert Braam door zijn kamer. Zijn andere hand pulkt aan zijn kin, zijn hart klopt in zijn keel. Steeds als hij langs de tafel loopt gluurt hij naar zijn scherm: nog geen nieuwe berichten. Plotseling, alsof iemand naar een andere zender heeft gezapt, staat hij stil. In één teug slaat hij zijn glas rode wijn achterover. Hij pakt vastberaden zijn telefoon en tikt een bericht dat hij zonder nog te aarzelen verzendt.
Voor mij ook ok. Tot morgen!
Meteen daarna durft Braam niet meer naar het scherm te kijken. Hij zet het op zwart en legt de telefoon ondersteboven op het tafelblad. Nadat hij heeft gedoucht en zijn tanden heeft gepoetst kijkt hij nog één keer: geen nieuwe berichten. Het is koud geworden in huis. Te koud om in alleen een onderbroek rond te lopen. Bij de gootsteen in de keuken drinkt hij snel twee grote glazen water en dan haast hij zich naar de slaapkamer om onder de dekens te kruipen. Voordat hij in slaap valt bedenkt Braam dat hij nog één ding moet doen: hij rijkt naar zijn nachtkastje en zet zijn wekker. Om vijf uur.