Het zal toch niet verboden zijn deze stenen aan te raken? Stenen zijn stenen, ook als ze groot en log zijn, in prehistorische tijden een Ierse heuvel opgesleept en sindsdien – dus al duizenden jaren – een perfecte cirkel in het Ierse gras beschrijven. Wat ik wil zeggen: over het algemeen is het geen probleem stenen aan te raken, en ik hoop innig dat dit op deze heuvel ook geldt want ik mag me graag aan de regels houden maar lig momenteel languit, op mijn rug, op één van de betreffende rotsblokken. Nee, ik heb niet uit frivoliteit plaatsgenomen op dit prehistorische monument. Ik ben doodmoe, ril van de kou, mijn slapen bonzen, maag draait, borst steekt – kortom: ik ben stervende. Ik trek aan de touwtjes van mijn capuchon, mijn venstertje grijze lucht nog wat smaller. Als ik hier straks sterf, lichaamssappen begin te lekken en mezelf bevuil zal iemand deze steen misschien even moeten komen poetsen, denk ik nog, voordat mijn leven – zoals ik gebruikelijk weet bij sterfscènes – aan me voorbij flitst. Dat zal niet lang duren want er is niet veel te flitsen; ik ben immers pas acht jaar en elf dagen oud.
Flits! Via de plastic glijbaan van het kinderdagverblijf glijd ik mijn vroegste herinnering in. Naast het speeltoestel staat een meisje in een roze trui en witte tuinbroek, blond haar als een kwast midden op haar hoofd. Mijn vader zit op de rand van de zandbak in de achtertuin met ons grijze konijn op schoot. Hij knipt voorzichtig de nagels van het dier. In het klaslokaal zetten de kinderen hun stoeltjes in een kring. Een ring van kinderen met Roos als diamant. Helaas is het weer niet gelukt mijn stoeltje naast dat van haar te manoeuvreren. Met mijn tenen kan ik net bij de pedalen van mijn gloednieuwe fiets. Met een klap ontmoet mijn kin de ruwe stoeptegels. We staan op het schoolplein onder de bomen en mijn schoolvriend lacht om mij. Niet om wat ik zeg – want ik zeg niks – maar omdat ik mijn onderkaak uitschuif en mijn witblonde haar van mijn voorhoofd blaas. In de kerstboom bij opa en oma zit een vogeltje, en als je over zijn hoofd aait zingt het een tweetonig deuntje. Tijdens opa’s kerstverhaal is aaien verboden. Mijn schoolvriend nodigt me uit om zijn haar aan te raken. Tot mijn verbazing doet het me denken aan de geitjes van de kinderboerderij; stevig en dik. ‘Stijn wil graag opgehaald worden uit de ballenbak’, galmt het door de IKEA. Dat klopt mevrouw, meer dan graag. Even later, in de toiletten, sta ik in de gootsteen en schept mijn vader chagrijnig de poep uit mijn onderbroek. Zingend en dansend op de keukenstoelen van opa en oma vier ik samen met broertje één de via de telefoon bevestigde geboorte van broertje twee. ‘Stijn, waar heb je m’n koffie gelaten?’ buldert meester Ton door de klas. Hij zit aan zijn bureau maar heeft zijn kopje in de kast bij de deur laten staan. De klas lacht en wijst naar de kast. Dan, doordat meester Ton een gewoontedier is, herhaalt deze herinnering zich als een doorspoelende videoband een klein schooljaar aan keren.
Zo flitsten in enkele momenten de eerste acht jaren van mijn leven voorbij. De verse herinneringen van de afgelopen elf dagen manifesteren zich vervolgens in een minder moordend tempo.
Op mijn achtste verjaardagsfeestje voelde ik me eigenlijk al niet goed. Allen verkleed als ridder of prinses hadden we een rondleiding door een echt kasteel gekregen en verstoppertje gespeeld in de kasteeltuin – dat alles leuk en aardig, maar even later, zittend aan een picknicktafel, kreeg ik geen hap taart door mijn keel. Die avond – mijn verjaaravond! – ging ik met koorts naar bed. Mijn moeder stond naast mijn hoogslaper en legde bezorgd een koele hand op mijn voorhoofd. Had zij in mijn plotselinge ziekte een onheilspellend voorteken herkend? De laatste week van het schooljaar bleef ik thuis, tussen slaap en waak sukkelend op een matrasje in de woonkamer, een glas limonade en een bord met een onaangeraakt beschuitje met jam naast me op de grond. Het weekend, en daarmee de zomervakantie, kwam en ik leek aan de beterende hand. Volgens mijn moeder kreeg ik weer wat kleur – genoeg kleur om op het vliegtuig naar Ierland gezet te worden althans. Een aantal dagen lang leek ze gelijk te krijgen. Enkele hachelijke momenten op de achterbank van de over kronkelende landweggetjes slingerende huurauto daargelaten zette mijn herstel door. Totdat ik in een moment van zwakte een – naar nu blijkt – fatale vergissing beging.
Gisteren, na ons bezoek aan een enigszins teleurstellende Ierse waterval, moest er getankt worden. Terwijl mijn vader terugchauffeurde speurden mijn moeder en ik de landwegen af op zoek naar een tankstation. Stenen muurtjes, groene heuvels, witgestucte huisjes genoeg; maar een tankstation zagen we niet. Mijn beide broertjes sliepen naast mij op de achterbank, zich niets aantrekkend van de toenemend gespannen sfeer in de auto. De brandstofmeter wees al een tijdje nul aan toen ik vanachter weer zo’n groene heuvel eindelijk het platte rode dak van een pompstation tevoorschijn zag komen. ‘Daar!’ riep ik, en ik tikte met mijn wijsvinger tegen de autoruit. ‘Zo, dat is net op tijd,’ zei mijn vader. ‘Goed gezien hee Stijn,’ zei mijn moeder. Na het betalen kwam ze de kiosk uit gelopen met drie plastic doosjes in haar handen, één voor elke zoon, gekocht uit dankbaarheid voor het bestaan van dit pompstation, en misschien een klein beetje uit dankbaarheid voor mijn oplettendheid. In de doosjes: tictacs, honderd stuks, vijftig sinaasappeloranje en vijftig limoengroene.
Mijn eerste broertje heeft een onuitstaanbare gewoonte: stel we krijgen iets te snoepen – laten we zeggen: een doosje smarties – dan zal hij heel gedisciplineerd wat van zijn smarties achterhouden zodat hij deze, als zijn twee broertjes hun eigen smarties al lang en breed achter de kiezen hebben, tergend langzaam en protserig genietend recht voor hun neuzen kan gaan zitten oppeuzelen. O, had ik maar iets van zijn zelfbeheersing gehad; dan had ik hier nu niet gelegen. Maar nee, nog voor mijn vader de auto naast ons witgestucte vakantiehuis op de groene heuvel parkeerde waren al mijn honderd tictacs op. Een klein uur later begonnen de steken in mijn buik. Die avond in bed begon het zweten, en nadat ik een aantal uur met wijd opengesperde ogen naar het plafond had liggen staren begonnen de hartkloppingen. Ik denk dat ik ondanks mijn al te begrijpelijke ongerustheid even geslapen heb, maar ik werd vroeg in de ochtend gebroken wakker. Even waande ik me terug op mijn matrasje in de huiskamer, maar hier geen glas limonade of beschuitje, nee, hier een vreemd bed in een vreemd huis in een vreemd land. De ochtendzon trok tussen de zware gordijnen door een verticale streep over de muur. Uren lang – of zo voelde het – deed ik niets dan gespannen volgen hoe de streep van licht langzaam maar zeker dichterbij kroop. Toen de streep mijn voeteneinde bereikte begonnen de steken in mijn borst. Ik sloot mijn ogen en liet één traan. Tot mijn eigen verbazing stuitte het besef dat ik zou gaan sterven niet op meer verzet dan dat. Denkend aan de dood, vroeger, had ik sterven altijd als iets beangstigends gezien, maar nu, zo dicht bij mijn definitieve einde, liet het onderscheid tussen bestaan en niet bestaan me zo goed als onverschillig. Even later klopte mijn moeder op de deur. Toen ik niet antwoordde kwam ze mijn kamer binnen en opende de gordijnen. De streep was verdwenen; opgegaan in het vrij naar binnen stromende licht. Om gezeur te voorkomen at ik een half ontbijt. Daarna liet ik me gelaten in de auto zetten. Tijdens de korte rit zat mijn broertje zoals verwacht potsierlijk op zijn nauwelijks aangetaste voorraad tictacs te sabbelen. Misschien had ik hem moeten waarschuwen: tictacs helpen je tikker naar de takke; maar ik had er de energie niet voor. Ik liet me parkeren, uitladen, en middels een korte maar uitputtende wandeling een heuvel op voeren. Op de top ben ik op het eerste het beste rotsblok gaan liggen. Flits! Zo kom ik weer aan in het heden, op mijn steen in een cirkel van stenen; tot zover mijn levensverhaal. Ik ril kort. En toen kwam er een olifant met een lange snuit en die blies het verhaaltje…
Vader, moeder, lieve familie, ik heb een rijk leven geleefd: acht jaren en elf dagen vol hoge pieken en de onvermijdelijk daarbij horende diepe dalen. Nu is het tijd om te gaan, ik ben er klaar voor. ‘Tijd om te gaan’, beaamt mijn moeder. Ik kruis mijn armen over mijn borst en open mijn ogen een laatste keer: grijze lucht zal het laatste zijn wat ik zie. Ik sluit mijn ogen weer: zwart niets. Na een plechtige tussenpoos blaas ik mijn laatste adem uit. ‘Tijd om te gaan, Stijn’, herhaalt mijn vader. Maar tijd bestaat voor mij al niet meer; ik heb afstand genomen van mijn aardse lichaam. Ik meng mij met het grijs van de lucht en het zwart van het niets. ‘Stijn, wij gaan alvast naar de auto hoor.’ Het geluid van tegen elkaar wrijvende, in regenkleding gestoken ledenmaten verwijdert zich langzaam maar zeker van het rotsblok waarop het lichaam dat ik vroeger het mijne noemde nog altijd roerloos ligt. Ok, weet je… eigenlijk… eigenlijk gaat het wel weer, geloof ik. Ik open mijn ogen. De zon drukt een vaag lichtende cirkel in het grijze wolkendek. Ik kijk opzij; mijn ouders zijn nog niet ver. Verderop rent mijn ene broertje met een stok in de hand achter mijn andere aan. Ik klauter van de rots en zet om mijn ouders bij te halen een voorzichtig drafje in.
Ooit zullen we elkaar tegenkomen. Maar niet vandaag, dood, niet vandaag.
Eén reactie op “Het Offer”
Prachtig verhaal de kale feiten kende ik, fijn dat je va deze niet prettige ervaring toch iets moois en aangrijpends hebt gemaakt 😎😎
LikeLike