Enigszins aangeschoten verlaat ik op de vroege vrijdagavond de universiteit. Traditioneel begint het weekend met een aantal biertjes op een lege maag. De vrijmibo wil nog wel eens uit de hand lopen en meteen een flinke hap uit het weekend nemen, maar niet vandaag want ik heb me voorgenomen mijn avond nuttig te besteden. Een rondje hardlopen, huiswerk maken voor mijn taalcursus, op tijd naar bed.
In de ochtend, onderweg naar de universiteit, heb ik meestal wind tegen. Gelukkig heeft iemand die werkt aan de universiteit vrijwel nooit haast. In de avond, op weg naar huis, heb ik doorgaans wind mee, vandaag ook. De zon is nog op en de avondspits loopt op haar einde. Ik heb geen eten in huis en overdenk wat ik straks zal kopen in de supermarkt. Ik ben op tijd naar huis gegaan dus misschien hoeft het geen diepvriespizza te worden deze keer. Met een knorrende maag kom ik aan bij het grote verkeersplein bij het station. Een groep meeuwen is bezig een afvalbak te plunderen. Wanneer ik ze passeer op rugwindsnelheid vliegt een volwassen vogel achterdochtig weg. De rest van de groep volgt gealarmeerd. Slordig geformeerd vliegen ze het verkeersplein over. Tegelijk raast een compacte roze vrachtwagen het plein op. Een jonge mantelmeeuw vliegt lager dan de rest, ziet de vrachtwagen te laat, en wordt met een klap geschept. De jonge vogel paraboolt richting het asfalt en blijft een tijdje bewegingsloos liggen. Dan steekt de vogel zijn kop omhoog en kijkt verschrikt om zich heen. Hij slaat wat met zijn vleugels maar besluit dan dat deze ongeschikt zijn om mee op te stijgen. Althans, dat is hoe ik, gezien het voorgevallene, zijn meeuwenbewegingen interpreteer. Ik druk op de rem en kom tot stilstand op het fietspad langs de drukke weg, kijk om me heen en neem de situatie in me op: het lijkt erop dat ik de enige getuige ben geweest van de klap. Een geluk bij dit ongeluk is dat de meeuw terecht is gekomen op een vrijwel ongebruikte afrit. Af en toe raast er een auto langs, maar rechts afslaan doet er tot dusver geen. Ik besluit dat ik even de tijd kan nemen om te overwegen wat ik moet doen.
Laatst, tijdens zomerstorm Poly, naar men zegt Nederlands zwaarste zomerstorm sinds het begin van de metingen, zag ik een omaatje omwaaien. Ze kwam met haar rollator de hoek om geschuifeld en was niet voorbereid op de rukwinden die daar op haar lagen te wachten. Met rollator en al kieperde ze om. We weten allemaal dat omwaaien gevaarlijk kan zijn voor broze omaatjes, ik weet het ook. Toch kan ik niet zeggen dat ik erg attent reageerde. Geschrokken mensen kwamen van alle kanten aangerend terwijl ik, in eerste instantie het dichtst bij de omgewaaide bejaarde, nog stond te overwegen waar ik het handigst mijn fiets even zou kunnen parkeren. Tegen de tijd dat ik een plan had gevormd was de vrouw al in goede handen en kon ik doorfietsen.
Ik vertel over dit voorval om te illustreren dat ik op z’n zachtst gezegd niet de meest attente jongeman van het land ben. Ik ga als een toeschouwer door het leven. Ik observeer zorgvuldig wat er om me heen gebeurt maar leef te veel in mijn hoofd om onmiddellijk en adequaat te reageren op het geobserveerde. Soms maak ik me zorgen over deze karaktertrek: wat als het lot me eens in een situatie brengt die smeekt om daadkracht? Wat als ik als enige getuige ben van een omwaaiende oma? Hoe lang moet deze vrouw op de grond liggen wachten tot ik haar overeind kom helpen? Wat als mijn reactie het verschil kan betekenen tussen leven en dood? Wat als ik getuige ben van een aanranding, diefstal, ander grof onrecht? Ik weet dat niemand écht is voorbereid op dit soort situaties waarin binnen een fractie van een seconde een heldendaad van je verwacht wordt. Sommige mensen zullen echter, wanneer ze in een dergelijke situatie belanden, boven zichzelf uitstijgen, zich zonder er een moment bij stil te staan van hun beste kant laten zien, en ik weet zeker dat ik niet bij die groep hoor. Ik zou graag helpen, maar resoluut tot actie overgaan zit niet in mijn systeem, in tegenstelling tot twijfelen, afwegen en treuzelen. Kon ik maar oefenen, denk ik dan, mezelf daadkracht aanleren. Dat is lastig, je kunt niet weten hoe je zult reageren in een noodsituatie tot een noodsituatie zich daadwerkelijk aandient. Plotseling realiseer ik me wat deze hulpeloze gewonde meeuw me biedt: oefenmateriaal. Een low-stakes instap-ongeval.
Rustig parkeer ik mijn fiets op de stoep. In al mijn daadkracht zet ik hem niet op slot, er zijn nu belangrijker zaken die mijn aandacht vereisen. Ik haal mijn telefoon tevoorschijn om het nummer van de dierenambulance op te zoeken. Enkele seconden later hang ik met ze aan de lijn, ons gesprek wordt opgenomen voor trainingsdoeleinden, en dan: een keuzemenu.
‘For English, press one’, zegt het keuzemenu.
‘No, thank you’, zeg ik.
‘Voor jonge vogels, toets twee’, zegt het keuzemenu.
Jonge vogels… Technisch gezien bel ik voor een jonge vogel, maar ik stel me voor dat het keuzemenu het heeft over hulpeloze jonge vogeltjes die uit hun nest gevallen en door ouders al opgegeven zijn, niet over jonge vogels die op volle snelheid tegen een vrachtwagen geklapt zijn. Ik houd nummer twee in mijn achterhoofd maar luister geconcentreerd verder. De volgende nummers hebben stuk voor stuk minder betrekking op de penibele situatie waarin de jonge meeuw zich bevindt, totdat het keuzemenu bij nummer negen uitkomt.
‘Voor een dier in levensgevaar, toets negen, u zult direct te woord worden gestaan’
Mijn blik schiet naar de meeuw op de afrit. Er raast net een auto langs, de veren op zijn rug komen omhoog in de slipstream. Ik druk resoluut op nummer negen. De telefoon gaat enkele seconden over. Deze tijd gebruik ik om voor mezelf te repeteren wat ik straks zal zeggen. Dan klinkt er een vrouwenstem.
‘Goedenavond, u spreekt met Dianne van dierenambulance Amsterdam. Waarmee kan ik u helpen?’, zegt ze.
Mijn beurt om te praten. ‘Goedenavond, ik zag net een vrachtwagen een jonge meeuw aanrijden. Nu ligt het slachtoffer gewond maar in leven midden op een afrit. Ik vroeg me af of jullie een ambulance zouden kunnen sturen.’
‘Goed dat u belt, meneer’, zegt Dianne. ‘Maar helaas hebben we slechts twee ambulances rijden, en ze hebben het al erg druk. We kunnen langskomen, maar alleen als u de vogel in een doos stopt en mee naar huis brengt. We willen voorkomen dat we een rit maken voor een dier dat inmiddels weer verdwenen is. Hopelijk kunt u dat begrijpen. Belt u alstublieft terug als het gelukt is met de doos.’
‘Oei’, zeg ik, ‘ik ben niet thuis en heb geen doos bij me. Kunnen jullie echt niet hierheen komen. De meeuw ligt op de weg en heeft zich al een hele tijd niet verroerd.’
‘Helaas, meneer, dit is ons beleid. Er is vast een supermarkt in de buurt waar u een doos kunt krijgen. Succes!’
Dan hangt ze op. De moed zakt me in de schoenen. Ik had verwacht dat de zaak na dit telefoontje min of meer afgewikkeld zou zijn, maar er worden meer heldendaden van me verwacht. Aarzelend overweeg ik mijn opties. Natuurlijk zou ik kunnen opgeven en proberen de ongelukkige jonge meeuw te vergeten. Geen haan zou ernaar kraaien, één mantelmeeuw wordt niet gemist. Maar ik weet dat ik door moet zetten. Dat het lot van deze meeuw op het moment dat hij tegen de vrachtwagen klapte is versmolten met dat van de enige getuige van zijn meeuwenmalheur. Dat mijn daadkracht op de proef wordt gesteld. Bovendien had Dianne gelijk: er is een supermarkt in de buurt. Wellicht kan ik daar inderdaad een geschikte doos vinden. Maar kan ik de meeuw midden op straat achterlaten terwijl ik zijn tijdelijke onderkomen ga halen? Ik kijk nog een tijdje naar het langsrazende verkeer. Sinds ik hier sta, toch al een aantal minuten, is er geen enkele auto rechtsaf geslagen. Ik besluit dat ik het erop kan wagen en fiets snel naar de supermarkt.
(Een post factum gedachte van uw hoofdpersoon: waarom heb ik niet geprobeerd de meeuw naar de kant van de weg te bewegen? Een terechte vraag, want hoewel de vogel op de afrit relatief veilig leek te zitten wist ik dat in de toekomst afbuigende voertuigen niet uit te sluiten waren. Voor een deel zal ik mij verschuilen achter mijn licht beschonken staat. Voor het overige deel zal ik aandragen dat ik bang was de situatie te verergeren door onvoorbereid in actie te komen. Wat als de meeuw in paniek zou raken en wild fladderend tevergeefs zou proberen weg te vliegen? Nee, dan liever eerst een doos halen. Bovendien mogen we niet vergeten dat onze arme hoofdpersoon nog maar net begonnen was zijn teentjes te dopen in de subtiele kunst van de daadkracht. Excuus voor de onderbreking, leest u alstublieft verder.)
Rondjes lopend door de supermarkt speur ik naar dozen. Bij elke doos probeer ik me er een jonge meeuw in voor te stellen. Geen van de dozen voldoet: ze zijn of te klein of te vol met producten of allebei. Ik vind een medewerker en vraag hem of ze dozen hebben, het liefst groot en met een deksel. Ik besluit dat het efficiënter is om niet te proberen uit te leggen waar ik de doos voor nodig heb.
‘Dozen, helaas, we zijn net klaar met vullen, dus de meeste dozen zijn al weg. Maar misschien kun je achter de kassa’s kijken’, zegt de medewerker.
Ik bedank de jongeman voor zijn hulp en begeef me naar de kassa. Onderweg heb ik toch maar een diepvriespizza meegepakt. Na het afrekenen bekijk ik de tegenvallende stapel dozen achter de kassa’s. Er zijn grote kartonnen manden voor fruit, maar deze zijn te open, en er zijn dozen waar zelfs met veel fantasie geen meeuw in te proppen zal zijn. Uiteindelijk valt mijn keus op een doos waarin huismerk-wasmiddel vervoerd is, zonder deksel en niet veel groter dan een schoenendoos. Wellicht past de meeuw erin, als hij zijn vleugels en pootjes netjes opvouwt. Ik heb niet de illusie dat de meeuw zonder tegenstribbelen zal meewerken aan zijn verhuizing, maar er is geen geschiktere doos te vinden, ik zal het met deze moeten proberen.
Van de supermarkt fiets ik eerst richting mijn huis, het is niet ver, en ongeveer op de route richting de afrit waar de meeuw hopelijk nog altijd levend en wel op me zit te wachten. Ik weet dat ik thuis geen dozen heb liggen, maar ik heb bedacht dat ik mijn handschoenen kan ophalen. Een meeuw optillen en in een doos schuiven, ik zie het mezelf niet doen zonder handschoenen. Met handschoenen eigenlijk ook niet.
Thuis, in mijn kleine appartement op de eerste verdieping van een portiekflat, leg ik snel de diepvriespizza in de vriezer en stop mijn handschoenen in mijn jaszak. De afrit is dichtbij, dus ik besluit te gaan lopen. Ik zet er stevig de pas in. Hoeveel tijd is er verstreken sinds ik Dianne aan de lijn had? Geen idee, een kwartier misschien? De zon is inmiddels ondergegaan en de schemering begonnen. Ik realiseer me dat de grijze meeuw in het donker voor afslaande automobilisten een stuk moeilijker te zien zal zijn. Ik zet er nog een tandje bij en snelwandel richting het verkeersplein. Voor de studentenflat die ik moet passeren om bij de meeuw te komen tref ik een stapel dozen aan. Mijn oog valt op een uiterst geschikte doos van Ikea, groot genoeg en afsluitbaar. In de doos zit wat plastic afval dat ik er haastig uithaal. De ironie dat ik plastic afval op straat aan het gooien ben om een meeuw te redden ontgaat mij niet. De foto’s van dode vogels met magen vol plastic ken ik goed. Gejaagd raap ik het plastic bijeen en stop het in mijn wasmiddeldoos, die ik bij de dozenstapel voeg. Dan vervolg ik vlug mijn weg naar het verkeersplein, door het tunneltje, daarna de trap op. Mijn hart begint sneller te kloppen. Bovenaan de trap zal ik kunnen zien of de meeuw nog op zijn plek zit. Ik ren de laatste treden op en staar naar het asfalt. De afrit is leeg, de meeuw is weg…
Een vreemde mix van teleurstelling en opluchting maakt zich van me meester. Ik ben niet geslaagd voor mijn daadkrachtsexamen maar hoef me ook niet meer af te vragen hoe ik in godsnaam een meeuw in een doos ga krijgen. Dan zie ik aan de rand van de weg, tegen de stoeprand, een balletje grijze veren liggen. Ik loop erheen om het balletje beter te kunnen bekijken. Oh shit! Het is de jonge meeuw, schijnbaar niet meer beschadigd dan hij al was. Terwijl ik op dozenexpeditie was heeft hij blijkbaar de kracht kunnen opbrengen zich naar deze veiligere plek, een tiental meters verderop te begeven. Dat is goed nieuws! En het betekent dat dit het moment is om te handelen. Ik haal diep adem terwijl ik de doos op de straat zet en mijn handschoenen aantrek. Er heeft zich ondertussen in mijn brein voorzichtig een plan gevormd:
- Stap 1: Schuif de doos op zijn kant zo dicht mogelijk tegen de gewonde meeuw aan.
- Stap 2: Duw de meeuw de doos in. Hopelijk volstaat hiertoe een minimale kracht.
- Stap 3: Dicht de flappen van de doos, behendig en snel.
Stap 1 is snel gepiept. Ik stap de afrit op en schuif de doos voorzichtig tegen de meeuw aan, zodat hij nu klem zit tussen doos en stoeprand. De meeuw verroert zich niet maar kijkt me wel verontrust aan. Ik kijk niet terug, want ik las laatst in de krant dat Britse wetenschappers hebben aangetoond dat meeuwen zich makkelijker laten wegjagen als je ze aanstaart. Dit is iets wat ik volgens mij intuïtief al wist, en wat ook geldt voor andere vogelsoorten: als ik bijvoorbeeld een stokstil in de sloot starende reiger passeer kijk ik hem niet aan in de hoop dat hij zich niks van mij aantrekt en blijft staan waar hij staat. Het laatste wat ik op dit moment wil is deze gewonde meeuw tot een vluchtpoging dwingen, dus ik kijk langs hem heen en doe zo goed en zo kwaad als dat gaat alsof hij er niet is. Behoedzaam kom ik overeind om me voor te bereiden op stap 2. Plotseling snelt er een toeterende auto voorbij. Ik schrik en krimp ineen. De meeuw spreidt zijn vleugels en opent boos zijn snavel maar blijft godzijdank zitten waar hij zit. Ik adem diep in en blaas langzaam uit. Ik kan maar beter opschieten. Stil sluip ik om de doos heen richting de meeuw terwijl deze zijn vleugels weer opvouwt. Langzaam breng ik mijn geschoeide handen dichterbij. Ondertussen staar ik langs hem in de verte, nu is niet de tijd om risico’s te nemen. De meeuw tolereert mijn nabijheid een tijdje maar zodra ik zijn zij aanraak kijkt hij kwaad om en hapt naar mijn handen. Geschrokken trek ik mijn handen terug. Ik onderneem nog een poging, maar deze strandt op dezelfde manier. Ik zet een paar stappen achteruit, trek terug en hergroepeer. Aan mijn stoppelige kin pulkend heroverweeg ik mijn strategie. Dan trek ik mijn jas uit en houdt deze in mijn uitgestrekte armen voor me. Wanneer ik dichterbij kom weet de meeuw niet wat hem overkomt. Hij laat zich overmeesteren en ik schep de meeuw, samen met wat bladeren en ander afval uit de berm, de doos in. Behendig en snel dicht ik de flappen van de doos.
Voordat het keuzemenu kan vragen of ik liever Engels spreek druk ik op 9 en even later hoor ik opnieuw de stem van Dianne.
‘Goedenavond, dierenambulance Amsterdam, waar kan ik u mee helpen?’
‘Goedenavond’, zeg ik, enigszins triomfantelijk. ‘Ik belde net ook al, over een aangereden meeuw. Het is gelukt met de doos.’ Ik kijk tevreden naar de kartonnen doos die zwijgend op de stoep staat, geel in het licht van de straatlantaarn.
‘Oh, wat goed! Dan zal ik een wagen sturen. Welk adres kan ik doorgeven?’
Ik dicteer Dianne het adres van mijn flatje en zij vertelt me dat de ambulance in de loop van de avond voor mijn deur zal staan, dat ik de doos zolang op de galerij kan parkeren. Ze bedankt me voor mijn inspanningen en hangt op. De meeuw heeft zich niet bewogen sinds de flappen van de doos boven zijn hoofd gesloten zijn. Wanneer ik de doos oppak valt me op dat deze amper zwaarder is dan eerst. Je zou zo kunnen vergeten dat er een levend wezen in zit, een dier in nood. Terwijl ik de trap afdaal, het tunneltje doorkruis, houd ik de doos steeds verder van me af uit angst voor een plotselinge beweging, en omdat er langzaam maar zeker een schijtlucht uit de doos begint op te stijgen. Gelukkig is het niet ver en houdt de meeuw zich koest. Even later zet ik de doos op de vloer van de galerij, naast mijn voordeur. Ik overweeg even om de flappen te openen om de meeuw te bekijken, maar besluit dan dat ik beter op de ambulance kan wachten. Snel krabbel ik een briefje en plak het op de doos: ‘NIET OPENEN! Bevat gewonde meeuw.’
Mijn diepvriespizza ligt net in de oven als de bel gaat. Via de intercom open ik de portiekdeur en wacht in de deuropening op mijn gast. Een lange man in een reflecterend geelgroen pak komt de galerij op gelopen. Terwijl hij dichterbij komt trekt hij blauwe latex handschoenen aan.
‘Goedenavond meneer, goed dat u gebeld heeft,’ zegt de man. Er klinkt een vrolijkheid, een speelsheid door in zijn stem. Hij gaat naast de doos staan en zet zijn armen in zijn zij. ‘Wat hebben we hier?’
‘Een jonge mantelmeeuw, denk ik. Hij werd geschept door een vrachtwagen,’ antwoord ik.
‘Een jonge mantelmeeuw zegt u? We zullen zien of u door bent naar de volgende ronde.’ De man knielt naast de doos en opent zonder aarzelen de flappen. Ik kijk mee over zijn schouder. De meeuw zit tegen de wand van de doos en kijkt beduusd om zich heen.
‘U had gelijk meneer, 10 punten,’ zegt de man. En dan tegen de meeuw: ‘ben jij een beetje dom geweest jongen? Eens zien hoe je eraan toe bent.’
Hij pakt de linkervleugel van de meeuw vast aan het uiteinde. De meeuw bijt in de blauwe handschoen maar het deert de man niet. Hij spreidt de meeuwenvleugel als een harmonica. De meeuw kan niet meer bij de handschoen komen en bijt in verwarring een paar keer in zijn eigen vleugel.
‘Dat ziet er prima uit!’ De man verricht hetzelfde onderzoek bij de andere vleugel. ‘En deze ook,’ zegt hij. Met twee handen tilt hij de vogel uit de doos en test ook de pootjes op botbreuken. Wederom worden er geen problemen aangetroffen.
‘Dat ziet er prima uit,’ herhaalt de man. ‘Ik zal hem naar de vogelopvang brengen, denk dat er goede kans is dat hij volledig zal herstellen. Nogmaals bedankt voor het bellen! Fijne avond!’ De man draait zich om en begint de galerij af te lopen.
‘Graag gedaan,’ zeg ik, enigszins uit balans gebracht doordat alles opeens zo snel verloopt, zo daadkrachtig. Deze man is overduidelijk getraind in noodsituaties. ‘Heeft u de doos nog nodig meneer?’
‘Nee hoor, het gaat zo prima,’ antwoordt de man, en ik kijk hem na terwijl hij met de jonge meeuw in zijn handen de galerij afloopt, zachtjes tegen de vogel pratend. Als ze de hoek om zijn draai ik me om en kijk in de doos. Een grote witte vlek van in karton getrokken vogelschijt, wat dorre bladeren, en drie sigarettenpeuken, alsof de meeuw geprobeerd heeft de stress te beteugelen door er een aantal op te steken.