De Dood in Den Helder

Broer L. bestuurt de scootmobiel van oma, op deze zonnige lentemiddag te Den Helder. Dromerig in mijn camera starend zoemt hij mij voorbij met de alleszins tegenvallende maximumsnelheid van oma’s machine. Ik maak van hem een slowmotionvideo, en samen voorzien we de stelling dat alles er in slowmotion cool uitziet van een tegenvoorbeeld. Broer M. rinkelt de bel van de oude fiets van opa, die daarvoor naar alle waarschijnlijkheid jaren niet gerinkeld had. Hij wil onze tocht naar De Lange Jaap, de vuurtoren van het voor ons alle drie grotendeels onontdekte Den Helder, voortzetten. Genoeg getreuzeld, in slowmotion.

Deze ontdekkingstocht was een idee van onze moeder. ‘Waarom gaan jullie niet even de vuurtoren bekijken?’ zei ze, even eerder, in de huiskamer van oma. Familieleden van moederszijde voerden in een kring een stokkend gesprek en achter de grote rode opsta-stoel van oma gaapte de leegte die werd achtergelaten toen het ziekenhuisbed van opa werd bedankt voor bewezen diensten. Bedankt aan die witte cocon, als mens erin en als lijk er weer uit, maar wel comfortabel.

De laatste jaren is mijn aanwezigheid in Den Helder een zeldzaamheid geworden. Hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van mijn broers, en van de mensen in de huiskamer van oma heb ik niet helder voor de geest wie nou ook alweer broer dan wel zus is van wie. Vanochtend, na de crematie van opa, werd mij condolerend de hand geschud door veelal anonieme figuranten. Mijn moeder fluisterde me zo nu en dan wat informatie in. Dochter van de broer van de vrouw van enzovoorts, enzovoorts. Ook van mijn vers gecremeerde opa weet ik niet veel. Hij hield van motorfietsen, modelautootjes, en Tina Turner, getuige de powerballad die tijdens de plechtigheid ten gehore werd gebracht. Meer weet ik eigenlijk niet, en ik denk dat het moeilijk is iemand van wie je niets weet, iemand die je toch al vrijwel nooit zag, echt te missen.

Om De Lange Jaap staat een manshoog hek. Het hek beschrijft een wijde cirkel om de toren heen, en als ik het goed begrijp is de straal van deze cirkel gelijk aan de hoogte van De Lange Jaap zodat, in het niet onwaarschijnlijk geachte geval dat de vuurtoren om mocht vallen, niemand deze op zijn hoofd krijgt. Broer L. stuurt de scootmobiel de dijk op, we zijn linksaf gegaan toen het hek ons de weg versperde. De machine sputtert tegen maar weigert niet. Oma heeft ons verzekerd dat we met één batterij naar de vuurtoren en terug moeten kunnen, en tot dusver wordt deze belofte in de werkelijkheid gereflecteerd.
Boven op de dijk staren we gebroederlijk eerst naar de rode toren die zijn evenwicht staat te bewaren en dan naar de golven en de scherp getekende horizon. Het is warm voor de tijd van het jaar. De zon brandt op het zwarte overhemd dat ik gisteren heb aangeschaft in de tweedehands-kledingwinkel, met de crematie van deze ochtend in gedachten. Om erger zweten te voorkomen trek ik het overhemd uit, en neem in mijn witte onderhemd plaats op de zetel van de scootmobiel, klaar voor de terugweg.

Een week eerder was ik ook in Den Helder. Ik zat op de bank naast broer M., verder vergezeld door moeder, oma, en oom J. We dronken thee en deden alsof we de afschuwelijke pislucht die in de huiskamer hing, veroorzaakt door de lekkende kunstblaas van oma, niet opmerkten. Achter de stoel van oma maakte mijn opa af en toe een zuchtend geluid vanuit zijn witte cocon. Broer L. was een paar dagen eerder langs geweest en was teruggekomen met angstaanjagende verhalen over de geestelijke gesteldheid van opa. In de wankele gedachtenwereld van de stervende man droop het water door het plafond en liep de huiskamer langzaam onder, en hij uitte deze bevindingen door ze schijnbaar zonder besef van de mensen om hem heen voor zich uit te mompelen. “Het klotst tegen de plinten”, had broer L geciteerd. Mijn moeder zat op een klapstoeltje naast het ziekenhuisbed, de benige hand van haar vader in de hare. Af en toe coördineerden zij hun bewegingen zodat er een slokje sisi naar binnen geslurpt kon worden. Oom J. was begrijpelijkerwijs meer aangeslagen door het naderende sterven van zijn vader dan ik. In een poging een licht gesprekje te starten vertelde ik hem dat ik laatst het concept “kopstootje” bij mijn vader geïntroduceerd had. “Hij was zeker al helemaal dronken na eentje” lachte mijn oom. “Na alleen het jenevertje al, oom.” zei ik.
Vlak voor we vertrokken verzamelde ik genoeg moed om op de stoel naast het bed van opa plaats te nemen. Mijn nabijheid ging aan de oude man voorbij. Plotseling keek hij op, wees naar een lege hoek van de kamer en fluisterde: “ik krijg jou nog wel mannetje..” Aldus hadden zijn laatste woorden geklonken.

De terugweg van vuurtoren naar oma’s huis leidt ons over een smal duinpaadje. De witte schelpen kraken onder de wielen van de scootmobiel. Ik realiseer me pas dat we er wellicht wat baldadig uitzien, drie jongemannen zonder shirt op een scootmobiel in de duinen, wanneer achterdochtige Frank ons aanspreekt. Frank is een man van een jaar of vijftig, van wie we op dit moment in de vertelde tijd overigens de naam nog niet kennen, de toekomst zal hem ons leren, met een zonnehoed op zijn hoofd en een achterdochtige blik in zijn ogen. Een kleine teckel hapt tevergeefs naar de tennisbal die prijkt aan het uiteinde van de balslinger in Franks handen. Achterdochtige Frank vraagt zich hardop af hoe we aan deze scootmobiel gekomen zijn, of we wel toestemming hebben deze te gebruiken. Broer L. doet een poging hem te overtuigen van onze onschuld, legt hem voor dat we op bezoek bij onze oma even een ommetje maken, maar Frank blijft achterdochtig. Mijn blik valt op de sleutel in het contact van de scootmobiel, de ring vol sleutelhangers. Daar bungelt mijn gezicht, en dat van broer L. Zie hier het bewijs van onze onschuld. Ik houd de sleutelbos omhoog naar Frank en terwijl ik dat doe valt me op dat in de kleine plastic fotolijstjes zorgvuldig fotootjes van mij, broer L., en onze nichtjes geplaatst zijn. Maar broer M. ontbreekt, en vanuit het lijstje waarin ik zijn gezicht verwacht glimlacht Frans Bauer me tegemoet.

Ondanks de verdwaalde volkszanger heeft dit bewijsstuk het gewenste effect. Min of meer overtuigd van ons fatsoen en overduidelijk verlegen om een praatje ontpopt Frank zich tot een ware spraakwaterval. Hij heet Frank (kijk aan), geboren en getogen in Den Helder. Mooi weertje toch vandaag. Hij was laatst ook op een crematie, van een vriendin, overleden aan corona, hij was als enige bij de plechtigheid aanwezig. De teckel is niet van hem maar van de buurvrouw. Hij laat de hond elke dag uit en heeft haar ook al aardig afgericht. Vol trots smijt hij met zijn balslinger de tennisbal diep de duinen in. De teckel blijkt minder afgericht dan verwacht en maakt geen aanstalten. We zeggen Frank gedag en hij druipt af, achter de bal aan de duinen in.

Maanden later ligt broer M. te slapen in de nachttrein naar Bologna. Hij vertrekt voor een aantal maanden om te studeren aan het conservatorium daar. Bij zijn vertrek hebben zijn broers hem een sleutelhanger cadeau gedaan en sindsdien bungelt Frans Bauer ook aan zijn sleutelbos. Terwijl de trein door de bergen boemelt, sluipt er een onbekende gestalte door de donkere coupé. De gestalte buigt zich over mijn nietsvermoedend slapende broer heen, en reikt met zijn lange sluwe arm naar de portemonnee van broer M. De geoefende gestalte heeft beet en trekt voorzichtig zijn arm terug. Hij rekent zich al rijk, maar dan, in een opwelling van moed, haakt Frans Bauer, met zijn eeuwig stralende glimlach, zich in de weggegriste portemonnee. Zo doet Frans de sleutelbos rinkelen en wekt hij broer M, die zijn ogen opent en de over hem heen gebogen gestalte vol ongeloof aanstaart. De dief laat de portemonnee geschrokken los en verdwijnt in de nacht.


Plaats een reactie